De ODV-aanspraak bij overlijden

Wat gebeurt er met uw ODV-aanspraak bij overlijden?

Voordat op deze vragen wordt ingegaan wordt eerst toegelicht in welke gevallen sprake is van een zuivere of onzuivere ODV-aanspraak, wat hiervan de gevolgen zijn en wat de gevolgen zijn bij een aantal verschillende erfrechtelijke situaties.

Zuivere of onzuivere ODV-aanspraak

Indien niet aan de voorwaarden van artikel 38p van de Wet LB wordt voldaan, is sprake van een ‘onzuivere’ ODV-aanspraak. Een van de voorwaarden is dat bij overlijden van de directeur-grootaandeelhouder (verder: DGA) de (nog resterende) termijnen van de ODV moeten toekomen aan diens erfgenamen, voor zover dit natuurlijke personen zijn.

Indien bij overlijden van de DGA de (resterende) termijnen van de ODV toekomen aan diens erfgenamen, dan is (ervan uitgaande dat ook voor het overige aan de voorwaarden wordt voldaan) sprake van een zuivere ODV. De uitkeringen aan de erfgenamen die voortvloeien uit die zuivere ODV-aanspraak zijn dan ook – als loon uit vroegere dienstbetrekking – onderworpen aan de inhouding van loonheffing. Voorts is het zo dat de waarde van een zuivere ODV-aanspraak – op grond van van de Sucessiewet 1956 – is vrijgesteld van de heffing van erfbelasting. Deze vrijstelling leidt bij vererving van de aanspraak naar de langstlevende partner wel tot inkorting van de verhoogde (partner-)vrijstelling ter hoogte van de helft van de vererfde ODV-aanspraak.

Indien bij overlijden van de DGA de (resterende) termijnen van de ODV niet toekomen aan diens erfgenamen, wordt de ODV-aanspraak op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip onzuiver. Gevolg hiervan is dat over de waarde van de (gehele) aanspraak loonheffing en revisierente verschuldigd is (72%).

Erfrecht

Met betrekking tot het erfrecht geldt het erfrecht bij versterf, zoals opgenomen in Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.

Indien de DGA een langstlevende partner en een of meer kinderen nalaat en niet bij testament heeft beschikt over zijn nalatenschap dan is de wettelijke verdeling van toepassing. Dit houdt in dat de langstlevende partner en de kinderen naar rato erfgenaam zijn. De goederen van de nalatenschap worden van rechtswege aan de langstlevende partner toegedeeld.

De kinderen krijgen vanwege de onderbedeling een (in beginsel) niet opeisbare vordering op de langstlevende partner. De DGA kan bij testament van het erfrecht bij versterf afwijken, de wettelijke verdeling is dan niet meer van toepassing. De verdeling is dan in principe vrij. De aanspraak moet wel terecht komen bij erfgenamen van de DGA (al dan niet via legatering) en dus niet ook bij derden die geen erfgenaam zijn.

Het huwelijksgoederenregime is hierbij van belang om te bepalen of een gedeelte van de ODV-aanspraak verrekend dient te worden. Indien sprake is van algehele gemeenschap van goederen behoort de ODV-aanspraak tot de huwelijksgemeenschap. Aangezien de aard van de ODV-aanspraak met zich meebrengt dat deze niet toegedeeld kan worden aan een ander dan de DGA, dient de helft van de ODV-aan spraak verrekend te worden. In het geval van koude uitsluiting zonder finaal verrekenbeding valt de gehele ODV-aanspraak in de nalatenschap.

Testament?

Afhankelijk van uw specifieke situatie en wensen zijn diverse scenario’s mogelijk. Hoe omgegaan wordt met uw ODV-aanspraak bij overlijden kan vooraf worden vastgelegd. De eventuele fiscale consequenties worden daarbij voor u in kaart gebracht.